Wist u dat uw browser verouderd is?

Om de best mogelijke gebruikerservaring van onze website te krijgen raden wij u aan om uw browser te upgraden naar een nieuwere versie of een andere browser. Klik op de upgrade button om naar de download pagina te gaan.

Upgrade hier uw browser
Ga verder op eigen risico

Boete aan belastingadviseur sneuvelt op alle fronten

25-03-2026

De inspecteur legt een boete van € 70.000 op aan een belastingadviseur. Hij zou feitelijk leiding hebben gegeven aan belastingontduiking door Curaçaose vennootschappen. De rechtbank maakt korte metten met de boete. De toestemmingsprocedure was onzorgvuldig, de vennootschappen treft zelf geen verwijt en het bewijs tegen de adviseur ontbreekt volledig. 

Curaçaose vennootschappen met Nederlandse leiding

De zaak draait om een structuur van vennootschappen op Curaçao. Een vermogende Nederlander is indirect aandeelhouder. De vennootschappen hebben een formele bestuurder op Curaçao, maar de inspecteur concludeert na onderzoek dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. De aandeelhouder neemt de kernbeslissingen over het vermogen. De vennootschappen hadden daarom in Nederland aangifte vennootschapsbelasting moeten doen. Dat is niet gebeurd. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op.

Boete aan de adviseur persoonlijk

De inspecteur gaat een stap verder. Hij legt ook een boete op aan de belastingadviseur die de structuur heeft geadviseerd. De adviseur zou als feitelijk leidinggever, medepleger of medeplichtige hebben deelgenomen aan de beboetbare gedragingen van de vennootschappen. De adviseur is naamgever van het belastingadvieskantoor dat de vennootschappen heeft geadviseerd. Volgens de inspecteur is hij eindverantwoordelijk, geeft hij instructies aan collega's en is hij actief betrokken bij het beleggingsbeleid.

Toestemming op drijfzand

Voor het opleggen van een boete aan een ander dan de belastingplichtige zelf is toestemming nodig van hogerhand. Die toestemming is gegeven, maar de rechtbank oordeelt dat de procedure uitermate onzorgvuldig is verlopen. Het verzoek om toestemming bevat alleen conclusies, geen concrete feiten over de rol van de adviseur. Het vestigingsplaatsrapport maakt nauwelijks onderscheid tussen het kantoor en de adviseur persoonlijk. Relevante informatie ontbreekt: de adviseur heeft in vijf jaar slechts 70 uur gedeclareerd op een totaal van ruim 1.000 uur. Hij komt in het e-mailverkeer over investeringen nauwelijks voor. De toestemmingsverleners kunnen op basis van deze informatie onmogelijk beoordelen of een boete gerechtvaardigd is.

Vennootschappen treffen geen verwijt

De rechtbank oordeelt bovendien dat de vennootschappen zelf geen opzet of grove schuld kan worden verweten. Zij lieten zich bijstaan door een gerenommeerd belastingadvieskantoor. Aan de zorgvuldigheid van dat kantoor hoefden zij niet te twijfelen. Als de vennootschappen geen verwijt treft, kan de adviseur ook niet als feitelijk leidinggever of medeplichtige worden aangemerkt. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Zonder opzet bij de vennootschappen is van bewuste samenwerking geen sprake.

Geen bewijs van betrokkenheid

Ook inhoudelijk schiet de inspecteur tekort. De rechtbank doorploegt het dossier van 27.000 pagina's en vindt geen bewijs dat de adviseur wist dat de werkelijke leiding in Nederland lag. Hij komt in het e-mailverkeer over investeringen nauwelijks voor. Waar hij wel wordt genoemd, stuurt hij zaken door naar collega's. De dienstverleningsovereenkomsten zijn niet door hem ondertekend, maar door een partner van het kantoor. Uit niets blijkt dat hij eindverantwoordelijk was of instructies gaf. De inspecteur baseert zich op aannames en gevolgtrekkingen die niet volgen uit de feiten. De rechtbank spreekt van een tunnelvisie.

Integrale proceskostenvergoeding

De rechtbank vernietigt de boete op vier verschillende gronden: onzorgvuldige toestemmingsprocedure, geen beboetbaar feit bij de vennootschappen, geen bewijs van opzet bij de adviseur en geen bewijs van gedragingen die als deelneming kwalificeren. De inspecteur heeft tegen beter weten in geprocedeerd. In de bezwaarfase wees de adviseur al op het ontbreken van bewijs. De managing partner van het kantoor bevestigde dat de adviseur niet eindverantwoordelijk was. De inspecteur negeerde dit en bleef vasthouden aan zijn standpunt. De rechtbank veroordeelt hem tot vergoeding van de integrale proceskosten van bijna € 69.000.